* Technologische vooruitgang: De uitvinding van de verbrandingsmotor was cruciaal. Er bestonden eerdere door stoom aangedreven voertuigen, maar deze waren omvangrijk en onpraktisch. De verbrandingsmotor bood een compacter en krachtiger alternatief. Verbeteringen in de metallurgie (het maken van sterkere, lichtere materialen) en machinale bewerking speelden ook een belangrijke rol.
* Verlangen naar persoonlijk vervoer: Paarden waren duur in onderhoud en onbetrouwbaar. Een zelfrijdend voertuig bood de mogelijkheid om sneller, handiger en onafhankelijker te reizen dan door paarden getrokken koetsen.
* Concurrentie en innovatie: Verschillende uitvinders waren aan het racen om tegelijkertijd een praktische auto te maken. De wens om de ‘eerste’ te zijn zorgde voor hevige concurrentie en snelle ontwikkeling. Dit was geen enkel gepland project, maar een samensmelting van inspanningen.
* Economische kansen: Er was een groeiend gevoel dat een succesvolle auto een revolutie in het transport zou kunnen teweegbrengen en een lucratieve markt zou kunnen creëren.
Daarom was het niet een enkelvoudig 'waarom', maar eerder een combinatie van technologische mogelijkheden, menselijk verlangen naar beter transport, concurrentiekracht en de belofte van economisch gewin die leidde tot de creatie van de eerste auto's. Het is ook belangrijk op te merken dat het definiëren van de 'eerste auto' moeilijk is, omdat de overgang van vroege zelfrijdende voertuigen naar wat wij als auto herkennen geleidelijk verliep.