1. Sturen: Controle houden over de richting en het pad van het voertuig.
2. Accelereren en remmen: De snelheid van het voertuig regelen en stoppen.
3. Observeren: Het scannen van de omgeving (weg, verkeer, voetgangers, enz.) om op gevaren te anticiperen en weloverwogen beslissingen te nemen.