In wezen zorgt het ervoor dat de auto niet gaat slippen of de controle verliest tijdens het accelereren, vooral op oppervlakken met weinig wrijving. Verschillende systemen kunnen verschillende methoden gebruiken om dit te bereiken, waaronder:
* Motorvermogen verminderen: Het systeem vermindert het vermogen dat naar de motor wordt gestuurd, waardoor de acceleratie wordt beperkt.
* Individuele wielremmen toepassen: Het systeem remt kortstondig het draaiende wiel af, waardoor het langzamer gaat rijden en het vermogen wordt overgebracht naar de wielen met betere grip.
* Gasinvoer aanpassen: Sommige geavanceerde systemen kunnen zelfs op subtiele wijze de hoeveelheid gas die de bestuurder geeft aanpassen om de tractie te behouden.
Tractiecontrole verschilt van stabiliteitscontrole (ESC of ESP), hoewel ze vaak samenwerken. Terwijl de tractiecontrole zich primair richt op het doorslippen van de wielen tijdens het accelereren, pakt de stabiliteitscontrole het verlies van controle tijdens het nemen van bochten of andere manoeuvres aan door afzonderlijke wielen te remmen om de richtingsstabiliteit te helpen behouden.