Als het olielampje brandt, rijd dan niet met de auto . Een lage oliedruk kan catastrofale motorschade veroorzaken.
Dit is wat u moet doen:
1. Controleer het oliepeil: Dit is de belangrijkste eerste stap. Gebruik de peilstok om het oliepeil te controleren. Als het peil laag is, voeg dan het juiste type en de juiste hoeveelheid olie toe (raadpleeg uw gebruikershandleiding).
2. Controleer op lekken: Na het bijvullen van olie (indien nodig) inspecteert u de motor zorgvuldig op eventuele olielekken. Zoek naar natte plekken of druppels rond het oliecarter, het filter en andere motoronderdelen.
3. Controleer de oliedruksensor (als u zich daar prettig bij voelt): De oliedruksensor zelf kan defect raken en het lampje activeren, zelfs als er voldoende olie is. Dit is een meer geavanceerde stap en vereist enige mechanische kennis. Het bevindt zich op het motorblok; een defecte sensor moet worden vervangen. Het is GEEN schakelaar die opnieuw moet worden opgestart.
4. Als het lampje blijft branden nadat u het oliepeil hebt gecontroleerd en olie hebt bijgevuld (indien nodig) en u geen lekkages ziet: U moet de auto naar een monteur laten slepen. Een lage oliedruk kan duiden op een ernstig probleem, zoals een defecte oliepomp, een verstopt oliefilter of een gat in de motor. Rijden met een lage oliedruk zal waarschijnlijk onherstelbare schade aan de motor veroorzaken.
In het kort: Het olielampje is een waarschuwingssignaal, geen schakelaar. Het aanpakken van de onderliggende oorzaak van de lage oliedruk is van cruciaal belang, en niet alleen maar proberen een niet-bestaande schakelaar opnieuw op gang te brengen.