* Gaskleppositiesensor (TPS): Vertelt de ECM hoeveel de gasklep open staat.
* Manifold Absolute Pressure (MAP)-sensor: Meet de druk in het inlaatspruitstuk.
* Koelvloeistoftemperatuursensor (CTS): Geeft de temperatuur van de motorkoelvloeistof aan.
* Mass Air Flow (MAF)-sensor (indien aanwezig): Meet de hoeveelheid lucht die de motor binnenkomt.
De ECM gebruikt de informatie van deze sensoren om de hoeveelheid lucht die de gasklep passeert via de IAC-klep aan te passen, waardoor het stationair toerental wordt geregeld. De positie van de IAC-klep heeft rechtstreeks invloed op het stationaire toerental. Als een van deze sensoren defect raakt, kan dit leiden tot onregelmatig stationair draaien of het onvermogen om stabiel stationair te blijven draaien.