* Als het contact is ingeschakeld (of de motor draait): Het relais sluit, waardoor het circuit wordt voltooid en er elektriciteit van de accu, via het relais, naar de brandstofpomp kan stromen. Hierdoor wordt de brandstofpomp bekrachtigd, waardoor deze het brandstofsysteem onder druk kan zetten.
* Als het contact is uitgeschakeld of de motor niet draait: Het relais gaat open, waardoor het circuit wordt verbroken en de stroom naar de brandstofpomp wordt uitgeschakeld. Dit voorkomt dat de brandstofpomp onnodig draait en de accu leegraakt.
In wezen is het een veiligheids- en efficiëntieapparaat, dat ervoor zorgt dat de brandstofpomp alleen werkt wanneer dat nodig is. Een defect brandstofpomprelais kan voorkomen dat de motor start omdat de brandstofpomp niet wordt geactiveerd.