* Massaluchtstroomsensor (MAF): Meet de hoeveelheid lucht die de motor binnenkomt. Dit is een cruciale input om te bepalen hoeveel brandstof er nodig is.
* Gaskleppositiesensor (TPS): Geeft aan hoeveel de gasklep open staat en geeft informatie over de belasting van de motor.
* Zuurstofsensor(en) (O2): Deze sensoren bevinden zich in de uitlaat en meten de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen. Dankzij deze feedbacklus kan de PCM het brandstofmengsel verfijnen voor optimale verbranding en emissies. Er is meestal één vóór de katalysator en één erna.
* Motorkoelvloeistoftemperatuursensor (ECT): De PCM gebruikt dit om het brandstofmengsel aan te passen op basis van de motortemperatuur. Een koude motor heeft doorgaans een rijker mengsel nodig.
* Manifold Absolute Pressure (MAP)-sensor (of barometrische druksensor): Meet de druk in het inlaatspruitstuk en geeft informatie over de motorbelasting en luchtdichtheid.
De PCM gebruikt al deze informatie om de juiste pulsbreedte voor de brandstofinjectoren te berekenen . Hoe langer de injector open blijft, hoe meer brandstof er wordt ingespoten. De PCM is dus het ‘brein’ van de operatie en past voortdurend het brandstofmengsel aan om de optimale lucht/brandstofverhouding voor prestaties en emissies te behouden.