* Brandstofpomp zelf: Ook al heb je een nieuwe brandstofpomp geprobeerd, het is mogelijk dat de nieuwe defect is (hoewel dit minder waarschijnlijk is). Controleer de installatie en bedrading nogmaals. Zorg ervoor dat hij stroom krijgt. Een multimeter kan dit testen.
* Brandstofpompbedrading/aansluitingen: Inspecteer de bedrading die naar de brandstofpomp leidt zeer zorgvuldig op eventuele breuken, corrosie of losse verbindingen. Dit omvat de aansluitingen op zowel de pomp als het relais. Een kleine breuk in de draad kan ervoor zorgen dat de pomp geen stroom krijgt.
* Brandstofpompfilter in de tank: De brandstofpomp heeft vaak een filter ingebouwd in de unit (of een apart filter in de tank). Dit filter kan verstopt raken, waardoor de brandstofstroom wordt verhinderd, zelfs als de pomp werkt. U zult waarschijnlijk toegang tot de brandstoftank nodig hebben om deze te inspecteren of te vervangen.
* Zekering brandstofpomp: Ondanks het controleren van de relais kan het zijn dat er een aparte zekering voor de brandstofpomp is. Raadpleeg de gebruikershandleiding van uw Fiat Punto om de zekering van de brandstofpomp te lokaliseren en de integriteit ervan te controleren.
* Brandstofpompregelmodule (PCM) of ECU: De PCM of Engine Control Unit zijn het ‘brein’ van de auto. Een defecte PCM verzendt mogelijk niet het signaal om de brandstofpomp te activeren, zelfs als alle andere componenten werken. Dit is een geavanceerder probleem waarvoor diagnostische hulpmiddelen of een monteur nodig zijn.
* Crankpositiesensor (CPS): Door een defecte CPS kan de ECU de positie van de motor niet kennen, waardoor de ECU de brandstofpomp niet kan bekrachtigen.
* Campositiesensor (CMP): Net als bij de CPS kan een defecte CMP de werking van de brandstofpomp verstoren.
* Startonderbrekersysteem: Sommige Fiats hebben een startonderbrekersysteem. Als de sleutel niet wordt herkend, kan het systeem voorkomen dat de brandstofpomp start. Probeer indien mogelijk een andere sleutel.
Wat u nu moet doen:
1. Controleer alle bedrading grondig: Volg het hele circuit, van het relais tot de brandstofpomp, en let goed op de connectoren en eventuele punten waar de bedrading beschadigd kan raken. Gebruik een multimeter om op verschillende punten in het circuit de continuïteit en het vermogen te testen.
2. Controleer de zekering van de brandstofpomp (indien afzonderlijk): Uw gebruikershandleiding is hierbij cruciaal.
3. Raadpleeg uw gebruikershandleiding voor toegang tot de brandstofpomp: Ontdek hoe u toegang krijgt tot de brandstofpomp en het filter (als dit een afzonderlijk onderdeel is). Wees voorzichtig als u in de buurt van brandstof werkt; dit is potentieel gevaarlijk.
4. Verkrijg een diagnostische codescan: Een monteur of een OBD-II-scanner kan alle diagnostische foutcodes (DTC's) lezen die zijn opgeslagen door de computer van het voertuig. Dit levert waardevolle aanwijzingen op over de fout.
Als u het niet prettig vindt om aan het brandstofsysteem van uw auto te werken, kunt u deze het beste naar een gekwalificeerde monteur brengen. Het werken met brandstofsystemen vereist zorgvuldige aandacht voor de veiligheid.