1. Banden oppompen: Pomp al uw banden, inclusief het reservewiel, op tot de aanbevolen spanning. U vindt de aanbevolen bandenspanning op een sticker op de deurpost aan de bestuurderszijde of in uw gebruikershandleiding.
2. Bestuur het voertuig: Rijd ongeveer 10-20 minuten met de auto met een snelheid van minimaal 32 km/u. Hierdoor kunnen de TPMS-sensoren hun meetwaarden naar de computer van het voertuig verzenden.
3. Controleer het licht: Controleer na het rijden of het TPMS-waarschuwingslampje is uitgeschakeld. Als het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem met een of meer sensoren of is er sprake van een aanhoudend probleem met een lage bandenspanning.
Als het licht blijft branden na het rijden:
* Controleer de bandenspanning opnieuw: Controleer alle bandenspanningen nogmaals, inclusief het reservewiel. Zorg ervoor dat ze binnen het aanbevolen bereik liggen.
* Controleer op beschadigde sensoren: Een beschadigde TPMS-sensor kan ervoor zorgen dat het licht blijft branden. Dit vereist meestal een bezoek aan een bandenwinkel of monteur voor diagnose en reparatie.
* Laat het systeem scannen: Een monteur kan een scantool gebruiken om TPMS-sensorgegevens te lezen en eventuele problemen te identificeren. Dit zal bepalen of het probleem te maken heeft met een sensor, de TPMS-module of gewoon een foutieve meting.
Belangrijke opmerking: Het negeren van een TPMS-waarschuwingslampje kan gevaarlijk zijn. Een lage bandenspanning beïnvloedt het rijgedrag, het brandstofverbruik en kan zelfs tot een klapband leiden. Het is van cruciaal belang om het probleem snel aan te pakken.